Willem Meester

Schijnbaar zit het antwoord in mij

Regen

Vroeger, ik zal een jaar of acht geweest zijn, ging ik met plezier naar buiten wanneer het regende. De druppels waren welkom, er bestonden nog geen oordelen. We trokken regenkleding aan en sjeesden op herfstachtige dagen met onze fietsen door de plassen.

Wanneer het echt goed geregend had, zochten we een plek naast de weg, daar waar de put overliep en het water zich verzamelde. We stonden op de stoeprand en joelden wanneer er weer een auto aankwam.

Nu, is het anders. Overal worden stickers opgeplakt: van mij, of, niet van mij. Ik speel voor keizer en zie de wereld niet meer zoals ik dat vroeger deed. Ik voel mij of beter of minder dan de ander.

We zijn onderweg naar de stad. De oudste gaat voor het eerst op haar fietsje. De jongste dragen we als een juweel. Stella vindt het fietsen meer dan spannend en roept steeds dat ze nog niet gevallen is.

We halen koffie in het winkelcentrum en gaan twee keer van de roltrap. Ik zie allemaal keizers rondlopen, ieder in zijn eigen stukje land, afgesloten van het normale volk. Wanneer zegt iemand eens hoe het werkelijk zit? Wanneer ontwaken we uit deze droom?

Op de terugweg ziet de lucht er uit als een donker gebergte. Er komt regen aan, dat is duidelijk. Wij schieten in de stress en willen snel naar huis. De meiden trekken zich er niets van aan. Hoe meer wij ons haasten, hoe langzamer zij gaan. Stella wil niet meer op haar fiets en Rosie wil dat juist wel. Ze komt nog niet bij de trappers maar dat neem ik voor lief. Wanneer ze zit, duw ik haar vooruit.

Dikke regendruppels vallen uit de lucht. We zijn kansloos en slaan toch op de vlucht. Meerdere volwassenen vertonen dit gedrag. Sommigen houden een krantje boven het hoofd, anderen een kind, weer een ander een teckel. Op dit moment maakt het niet meer uit; het is ieder voor zich, niemand wil getroffen worden door het water.

Na een paar honderd meter komen we een fietsenstalling tegen bij een school. We schuilen en dan gaat het pas echt los. Spoedig slaan er bliksems van ongeduld door onze lijven en turen we op mobiele apparaten om te kijken hoelang we nog gekweld gaan worden door dit weer.

Stella loopt onder de fietsenstalling vandaan en stapt in de regen. Ze roept: ‘Regen is niet erg, het is juist leuk. Zien jullie dat niet?’ Ze rent gillend over het schoolplein en kleine Rosie doet hetzelfde. Ze springen in de plassen en roepen heel hard ons onder de fietsenstalling vandaan te komen.

We ruimen de telefoons op en gaan lopen. Stella wil weer op haar fiets en ontdekt dat ze kan slippen. Iedere keer dat ze slipt, maakt ze een piepend geluid. We komen aan bij mijn ouders. Ze zijn niet thuis en de achterdeur zit op slot. Het maakt niks meer uit; we zijn toch al zeiknat. In de achtertuin staan we onder een grote kastanjeboom. De druppels blijven hangen aan onze neuzen. Het is net alsof ze de grond niet willen raken.

Regen is leven. Zonder regen groeit er struik noch boom. Het voedsel dat we dagelijks eten, de zuurstof die we ademen, het zou er allemaal niet zijn. En toch hebben we al die jaren een afkeer van regen opgebouwd. Wij volwassenen zijn rare wezens. Gelukkig zijn er dan nog kinderen, die ons heel gemakkelijk van de troon stoten, zodat we weer landen met beiden benen op de grond.

Lees meer:

Een stukje over senioren en mobiele telefoons.

Een stukje over dronken egels.

Een stukje over kotsende kinderen.

Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je hieronder in voor de nieuwsbrief, dan mail ik je de stukjes.