Willem Meester

Schijnbaar zit het antwoord in mij

Planeet Nietsdoen

Plots is het zomer. En worden er allemaal zomerdingen van mij verwacht. Er staat een Unicornzwembad in de tuin, ik smeer billen in en jaag op muggen. Er wordt gesproken over een verkorte zomervakantie en mogelijke leerachterstanden, ik ruik de kolen van een barbecue, ik zie bijen! Wat is eigenlijk een leerachterstand? Is er zo weinig vertrouwen in de leergierigheid van het kind?  Wordt dit een term die wij straks allemaal slikken als veganistische hoertjes op de Gezondheidsbeurs?

Ik geloof niet in leerachterstanden en al helemaal niet in verkorte zomervakanties. In de zomervakantie worden herinneringen gecreëerd, laten we daar vanaf blijven. Wij gaan thuis dan ook meer dan oké. Ik begrijp er ook weinig van en probeer eerst wat te begrijpen van al die zon. Drie kwart van mijn zijn bevindt zich in de zomer, mijn hoofd kan het alleen nog niet aan.

Verder doe ik deze dag vrij weinig. Ik heb nergens zin in en weet niet zo goed hoe daar mee om te gaan. Steeds wanneer ik besluit het te accepteren verzin ik een taak ogenschijnlijk van groot belang dat onrust in mij losmaakt. Alleen maakt het idee iets te moeten doen mij al chagrijnig.

En zo kabbel ik steeds tegen de oever van een meer zonder bodem. Waar is dat moment van acceptatie? Het is ontoereikend zoals opa’s en oma’s in tijden van Corona. Zoiets overkomt mij eigenlijk zelden. Er zijn weinig momenten dat er geen zin is, er is altijd wel iets te doen.

Mijn kinderen schreeuwen om aandacht. Ik hoor het, maar luister niet. Het frustreert ze, het frustreert mij. Ik leg mijn telefoon weg, doe de laptop dicht, luister en probeer het niets doen toe te laten.

Al vrij snel droom ik weg en bevind ik mij op een andere planeet. Het is er groener dan bij ons. Hier doet iedereen niets. Er is zoveel leven. Ik hoor het geluid van watervallen, het ruikt er naar ochtenddauw en het is er voor altijd zaterdagochtend. Mijn doe modus valt op. Als een zwart schaap zonder kudde. Alle Nietsdoeners kijken mij aan alsof ik van een andere planeet kom.

“Ik kom van een andere planeet.”

“HEisnuehshshsΩ.”

“We doen daar altijd wat. Ik heb nog nooit iets gedaan zonder onderliggend doel.”

“SMUsP?”

“Dat lijkt me heerlijk!”

Een van de Nietsdoeners gebaart dat ik mij mag ontkleden. Ik duik als een vissende beer te water, lomp en aanwezig, in een zee van nutteloosheid, en besluit naar de bodem te zwemmen. Daar beneden op de bodem ontdoe ik mijzelf van al mijn wensen, to do listen en opdrachten. Ik doe mijn mentale winterkleding uit. Poedelnaakt omarm ik het niets doen. Een nieuwe ongemakkelijke ervaring, maar welkom. Met mijn laatste zuchtje adem zwem ik naar boven.

Er liggen twee vliegen in het Unicornbad. De meiden hebben geprobeerd ze te redden. In bad drijft een rode emmer, een plastic ladder (zo’n sportschoolding) en twee pleisters.

“Jullie hebben het echt geprobeerd.”

“Ja, maar het lukt niet.”

“Maak van je handen reddingsboeien. Kijk zo.”

Ik schep als een held op het droge de eerste vlieg uit het water. Het beest is morsdood.

“Hij heeft Corona.”

“Nee hij is verdronken, als je zuurstof op is stop het leven.”

“Niet voor een vis.”

“Minder voor een vis.”

En dit was het dan. Het hoogtepunt van de dag. Geen begrafenis en wijze woorden, heldenactie of een filosofische bevinding. De vliegen liggen te drogen in de zon. Dood. Voor altijd weggevlogen. En ik doe niets meer, nog steeds vreemd, maar ergens wel lekker.

Lees meer:

Een stukje over jarig zijn en doodgaan.

Een stukje over het lopen van een halve marathon.

Een stukje over een stukje dat ik voorlas op de radio.

Een stukje over een ander zwembad.