Willem Meester

Schijnbaar zit het antwoord in mij

Honden op de weg

In de klas poets ik met mijn vinger de restjes tandpasta van haar wangen. Ze ruikt naar aardbeien en zichzelf, een vlaflip van liefde, zo zoet, zo mooi. Ik glunder wanneer ik de deur achter mij sluit. Ik weet niet zo goed wat er aan de hand is deze dagen. Wellicht is die onbekendheid, het niet weten, juist dat ervoor zorgt dat ik mij zo bijzonder voel.

Er komt een oudere mevrouw met een klein hondje mij tegemoet lopen. Zij ziet mij niet. De zwaartekracht heeft haar bovenlijf richting de grond geduwd. Het hondje blaft schel en agressief. Het is een Lassiehond, maar dan te heet gewassen. Normaliter zou ik dit heel vervelend vinden, een hardloopdingetje denk ik; je weet namelijk nooit zeker of honden achter je aankomen. Stel je voor dat je zo’n postbode Simon ervaring hebt. Wat zullen de buren wel niet denken? 

Maar het is toch zo? Een keffende duivelshond die op je afkomt, daar wordt toch niemand blij van? Helemaal niet wanneer het baasje niks lijkt te ondernemen. Als eigenaar – of een levend wezen bezit kan zijn betwijfel ik – hoor je te weten hoe je hond reageert. Dit weet je, zodat je als het nodig is kunt anticiperen. Met hardlopen gaat dit tot nu toe goed. Toch is het vaak enerverend wanneer een hond mij tegemoet komt lopen. 

Nu is er niks van dat. Hij maakt een hoop lawaai en ik lach alleen maar. Het beestje heeft geen idee wat hem overkomt; de Dark Force weet niet hoe het met liefde om moet gaan. Grommend bijt hij in mijn rechter enkel. Nu bulder ik van het lachen. Op dat moment ontwaakt de oudere dame. Haar hoofd wordt naar boven gekanteld, ze kraakt als een grote eik tijdens een fikse storm. Haar bruine ogen bestuderen mij. 

“Klote beest!” zegt ze met een glimlach op haar gezicht. 

Ze trekt nog wat aan de lijn, het beestje vliegt van stoeprand naar stoeprand. Ik geef haar een knikje en denk alleen maar: wat bijzonder dat ik zo vrolijk ben terwijl dat beest mijn bloed wil drinken. Dit tovert een grote glimlach op mijn gezicht. In de verte hoor ik het beest nog keffen. Keffen als een satanistische harige bloedprop.

Op bezoek bij Joris, mijn knappe vriend, valt het kwartje. Ik pluk momenteel de vruchten van drempels die ik beklim. Nooit eerder maakte ik zo bewust een verandering mee. Beren (of van mijn part honden) op de weg zijn kansen om te groeien als mens.

Een beer op de weg is eigenlijk niets meer dan die Eindbaas van je favoriete computerspel. Al die pogingen die je deed om hem te verslaan waren het waard. Je schold, je werd boos, je was ongeduldig en je moeder kreeg de schuld, maar na al die pogingen lukte het en mocht je door naar het volgende level. Door al die klappen die je uitdeelde nam je ontwikkeling toe en versloeg je het monster. Wat eerst onmogelijk leek werd een mogelijkheid.

Zo werkt het dus echt. Zo is het in ieder geval op dit moment.

In de sloot drijft een dode meerkoet. Ik heb wel eens een platgereden meerkoet gezien, nog nooit een dode in het water. Ik stuur twee hartjes naar de familie meerkoet en kom op het grasveld verderop een oude man tegen. Hij draagt een groene pet met wit haar eronder. Hij heeft twee hondjes aan de lijn. Volgens mij een tweeling. Of misschien is het wel een drieling want de hondjes zijn ook wit. Ze kakken op het voetbalveld. Ik vraag mij af hoe het er bij hun thuis aan toe gaat.

Wanneer ik bijna thuis ben zie ik dezelfde voorovergebogen vrouw lopen met haar keffende hondje. Het beestje gaat nog steeds te keer. Die sukkel, hij ziet overal beren op de weg. Ik niet. Ik heb de wereld getemd.

Lees meer stukjes:

Een ander stukje over drempels.

Een stukje over 23.760 stappen in een ijskoude wind.

Een stukje over het voordragen van een stukje tekst op de radio.