Willem Meester

Schijnbaar zit het antwoord in mij

Een bijzondere ontmoeting

Tijdens het overstappen, wordt er bij Starbucks een koffie medium gescoord. Op het tafeltje in de trein staat een beker met meer inhoud dan de tiet van Erica Terpstra. De Amerikaanse maat koffie wordt hem teveel, de rest dient in de prullenbak geplaatst te worden.

Tegenover de enorme beker zit een oudere man. Zijn rimpels hangen als een luxaflex over zijn gezicht en houden, zo te zien, de hele ochtend al de zon tegen. De beker past niet zomaar onder het tafeltje. Het wordt zijwaarts in de prullenbak losgelaten.

Het komt komt neer in de lege metalen bak. Het geluid, vergelijkbaar met dat van een aangebroken yoghurtpak dat op de plavuizen valt, galmt door de nauwelijks gevulde, redelijk schone, tweede klasse coupé.

Een paar spetters koffie doen een dappere poging om te ontsnappen aan het prullenbakleven. Hoewel ze de dans ontspringen, belanden ze twee centimeter van elkaar verwijderd op de broek van de oudere man.

“Oh sorry, dat ging niet helemaal zoals ik het in mijn hoofd had. Excuus mijnheer.”

De oudere man draagt een broek die bij veel senioren in de kledingkast ligt. Een pantalon look-a-like, kakikleurige, comfortabele broek. Voorzien van een fijne vouw in het midden en op het middel bretels houders, bij de gulp een ritssluiting met gouden scherpe tandjes, inclusief kontzak geschikt voor een zakdoek of een bridge scoreboekje.

“Mag ik vragen waarom je op deze manier met mij praat?” vraagt De Koffievlek.

Voordat het jongere exemplaar van een mens kan antwoorden stapt er een vrouw de trein binnen. Haar gezicht is op vakantie, haar lijf in een winterslaap. Ze roept heel hard dat ze de verkeerde kant op gaat. De deuren doen het geluid van een leeglopende fietsband na en sluiten. De dame gaat rustig zitten.

De twee kijken elkaar aan en lachen om de actie van de vrouw.

“Ja dat mag”, gaat de jonge vent verder. “In mijn poging om van een halve liter koffie af te komen heb ik wat gemorst op uw broek. Nogmaals mijn excuus.”
“Oh ja, nu zie ik het. Dat wordt een rechtszaak jonge man. Dit is mijn lievelingsbroek!”

De jonge vent lacht zo hard dat de vrouw van eerder, het ook op het lachen zet. Haar ogen beginnen te schitteren als fietsverlichtingen. De sproetjes op haar gezicht gaan één voor één aan, in geval je er met een potloodje langs zou gaan, zou je een sterrenbeeld zien.

Alle drie stappen ze dezelfde halte uit. Ze groeten elkaar. Als de tenen van een kraaienpoot gaan alle figuren een andere kant op. 

Voor het kantoor van de uitgever, staat een groepje oudere mannen. Op een van de kakikleurige broeken zit een koffievlek.  

“Hij zou wel schrijver zijn.” mompelen de mannen wanneer het jongere exemplaar langsloopt.

Schrijver zijn? Denkt de jonge vent. Het enige wat ik gedaan heb zijn woorden koppelen aan ervaringen. Meer dan dat is het niet. Het is geen kunst, het is niet van hoog niveau. Het is er. Net zoals vuilnisbakken er ook zijn. Daar dump je ook afval in wanneer het je het niet meer nodig hebt.

Er volgt een applaus in de zaal, vergelijkbaar met dat wat  trotse ouders ook doen tijdens een talentenshow voor kids op een Frans Nederlandse camping voor gezinnen.

De jonge vent zijn huid is nog roder dan het inlegkruisje van zijn buurvrouw.

De Koffievlek is nu aan de beurt. Hij staat op, pakt zijn manuscript en begint uitbundig te vertellen over de inhoud van zijn werk.

“De tuinkabouters zijn bipolair, dit omdat ze geslachtsloos zijn en toch al jaren met het idee kampen om zich voort te planten.”

Na het uitspreken van het woord planten, legt De Koffievlek zijn werk neer en kijkt als een kapitein naar de zee kan gluren, de zaal in.

“Daarnaast zijn de meeste homofiel en dat is in het land van de tuinkabouters nog meer een taboe dan in Nederland vluchtelingen zijn. Dat van de planten vond ik een leuke woordgrap aangezien ze omsingeld zijn door het groen van de welverzorgde grassprieten.”

En weer volgt er applaus. Dit keer krachtiger dan dat van de jonge vent. Ongeveer zoiets als dat wat een hulpsint in een winkelcentrum in de Bijlmer op een warme zomerdag kan ontvangen.

In de pauze wordt er uitgebreid gesproken over mogelijke deals, royalty's en andere materiële zaken. Het heeft weinig met woorden te maken. Tussen de menigte beweegt zich een vrouw. Ze heeft een sterrenbeeld op haar gezicht staan. Haar hele lijf is op vakantie en ze draagt een dienblad met koffie.

Na het serveren roept ze heel hard:

“Het gaat de goede kant op mensen! Allemaal richting de beoordelingsruimte, hupsakee!”

Iedereen knikt tevreden. Behalve de jonge vent. Die zit in de trein, met een koffie small in zijn hand, om zo zijn eigen kant op te gaan.

Lees je deze stukjes graag? Je kunt je erop abonneren.Binnenkort verschijnt mijn boek: ‘Een poëziealbum van een schatzoeker’, memories van een vader, idealist en wereldverbeteraar.