Willem Meester

Schijnbaar zit het antwoord in mij

Egels

Onderweg van een uit de hand gelopen vrijgezellenfeest fiets ik door de regen. Het is laat. Ik heb nog niet genoeg gedronken en vang regendruppels met mijn mond. Naast mij staan aan beiden kanten rijen met huizen. Het lijkt of ze bewegen maar dat kan ook aan mij liggen.

Wanneer ik nu een tijdmachine zou tegenkomen zou ik het apparaat voorzichtig gebruiken. Ik zou twee dagen teruggaan, smoothies en thee drinken en een geniaal voorstel doen om het klimaatprobleem te verhelpen. Het apparaat laat zich niet zien; er zit niks anders op dan mijn verantwoordelijkheid te nemen.

De stem van Thom Yorke doet zijn best om mij uit dit huidige moment te halen. Voor even ben ik op een andere plek, waar geen ruimte is voor schuldgevoel, maar dan zie ik iets op de weg. Er ligt een egeltje voor me. Beelden van talloze platgereden egels schieten voorbij en ik trap op de rem.

Hij probeert het bosje aan de overkant te bereiken, alleen iets houdt hem tegen. Ik zet Radiohead uit, doe mijn koptelefoon af en geef al mijn aandacht aan het beestje. Hij heeft het moeilijk. Een kant van zijn lichaam hangt er slap bij. Met zijn linker voor- en achterpoot probeert hij voor mij te vluchten, maar kruipt hierdoor in rondjes. Alsof je tijdens het kanoën aan een kant een peddel gebruikt. Is het beestje door mijn adem de weg kwijt? Nee dat is natuurlijk onzin. We weten allemaal dat egels stevige drinkers zijn.

Dronken of niet, het beestje heeft het moeilijk. Het hijgen door de inspanning van het rondjes draaien bevestigt dit. Ik zet mijn angsten opzij en probeer het beestje te pakken. De prikkers weerhouden me, het idee van een zacht buikje motiveert mij. Ik maak van mijn handen een schep, het egeltje krult als een bolletje in elkaar en ik plaats het snel in de buurt van het bosje. Voor kort dans ik een dans waar Mick Jagger jaloers van zou worden, Bowie laat ik in deze vergelijking achterwege.

Het vreugdemoment is van korte duur want de egel is in paniek en kruipt in plaats van het bosje per ongeluk weer cirkelend de straat op. Dan daalt het besef, langzaam als een tikkende klok in de wachtruimte van een tandartspraktijk: het beestje wil niet meer. Ik kruip naast hem op straat. Mijn kleren nat van de vochtige grond.  

‘Wil je nog wel leven vriend? Is het een vrouwtje die jouw hart gebroken heeft? Of is het Ajax?’

Zijn bruine oogjes zijn vochtig en kijken richting de grond. Ik vat het op als een nee, maar durf er niks mee te doen en besluit dat ik mij genoeg met de natuur bemoeid heb.

‘Het was me een waar genoegen. Ik gun je een prettig uiteinde.’ zeg ik met mijn rechterhand op mijn hart.

Mijn fiets raap ik van straat en trap richting huis. Ik zie dat de ochtend bijna wakker is en dit geeft me een haastig gevoel. Na een diepe slaap zit ik met een stekelige hoofdpijn beneden.

‘Hoe was het schat?’ vraagt mijn vrouw.
‘Fantastisch met een droevig einde.’ Ik grijp naar mijn hoofd.

‘Oh, heb je weer spijt?’

Ik vertel haar over de egel.

‘Je had hem toch mee kunnen nemen? Dan konden we het beestje hier verzorgen en naar de dierenarts brengen.’

Die avond rij ik weer door dezelfde straat. Als ik je tegenkom breng ik je naar de allerliefste dierenarts die ik ken en haal ijskoude melk voor je. Maar ik zie hem noch tijdmachine. Met enig verdriet in mijn hart haal ik een ijskoud biertje en proost op mijn stekelige vriend.


Lees meer:

Een stukje over hoe we de wereld gaan redden.

Een stukje over een veganist en een vlieg.

Een stukje over hardlopen met een kater.