Willem Meester

Schijnbaar zit het antwoord in mij

Eerste hulp

Een zeer gepassioneerd leraar vertelt dat niet het hart maar het bloed zorgt voor de circulatie in het menselijk lichaam. De embryologische termen vliegen met grote snelheid het lokaal in.

Sommige termen pak ik uit de lucht en vertel mezelf dan: ik weet dit. De meeste gaan aan mij voorbij. Een gevoel van paniek krijgt de overhand. Gedachten die al zo vaak langskomen, vergezellen de termen in de ruimte. Ze lijken zo krachtig, verleidelijk en vertrouwd dat ik op ze in haak, wat naast paniek ook onzekerheid activeert.

Die gedachten zijn er nou eenmaal. Ik kan je haarfijn uitleggen dat het geen zin heeft ze te ontkennen of te onderdrukken. Er komen gemiddeld 70.000 gedachten per dag langs. Wanneer je dit tegen werkt kost het je veel energie, los van het feit dat het onmogelijk is, en dus zonde van de tijd. Alleen besef ik dit meestal achteraf.

Toch zo aan het einde van de les, wanneer de ruimte zich vult met een brei van termen en gedachten en het lijkt alsof ik in een stevige groentesoep beland ben, druk ik met mijn lepel de ingrediënten tegen de bodem, waardoor het bouillon de lepel vult.

Door als ware afstand te creëren, ontstaat er – ook al is het troebel – meer helderheid, en ben ik in staat om te kiezen wat ik op mijn lepel leg en wat ik tot mij neem. De termen: zygote,mitose, meiose morula, de drielaagse kiemschijf, ectoderm, endoderm, mesoderm vullen mijn lepel, ze smaken naar meer, alleen zit ik vol.

Hikkend stap ik in de auto van een medestudent. Voor mij doen is het laat. Het regent behoorlijk en soms schiet er een straal licht door de lucht. We kletsen, zijn onder de indruk, delen ervaringen; dat allemaal met honderddertig kilometer per uur. Wij rijden een lichte helling op. Plotseling vult de auto zich met rood remlicht, de bestuurster laat merken dat ze het niet vertrouwt; mijn lijf schiet naar voren en ik kots termen als: zygote, morula en blastula tegen het voorraam.

We passeren een gehalveerde auto, zetten de auto langs de vangrail en stappen uit. Terwijl we naar de beschadigde auto lopen, racen er met grote snelheid uitwijkende auto’s voorbij. Gelukkig stappen de mensen ongedeerd uit. We proberen de auto aan de kant te duwen maar het stuur zit op slot. Er zit niks anders op dan het met knipperlicht daar te laten staan. De donder die vrijwel direct de bliksem volgt klinkt zo hard dat gesprekken verplicht op pauze gaan. We ruimen op momenten dat er geen auto’s aankomen wrakstukken op.

De bestuurder en bijrijder zijn in shock, ze staan trillend in de regen. Een van mijn medestudenten begeleidt ze haar auto in. Daar zitten ze droog en rustig. Wij staan buiten en zien steeds auto’s het wrak net op tijd ontwijken. Ze schieten zowel naar rechts als naar links met af en toe een bliksemschicht op de achtergrond.

Mijn medestudenten zijn ondernemend, begeleiden de mensen en zijn behulpzaam. Ik volg en ben vooral bang. Op het moment dat er een vrachtwagen aankomt, uitwijkt, en met grote lichten tot stilstand komt, duik ik richting de vangrail. Dat ik dit als enige doe, geeft mij een laf gevoel. En vraag ik mijzelf af of ik hier ook had gestaan wanneer ik alleen gereden had. Had ik zoals velen deden doorgereden? Of was ik gestopt?

De politie is er met tien minuten. De automobilisten zijn ons dankbaar. Ze schudden mij als laatste de hand. Terwijl de regen over mijn lijf stroomt, doet de dankbaarheid dat door mijn lijf. Zeiknat stappen we in de warme,onbeschadigde auto. Het heeft geen zin om schoenen, sokken en jas aan te houden.

Het eerste heelwerk zit erop, al betwijfel ik of we hier studiepunten voor krijgen...