Willem Meester

Schijnbaar zit het antwoord in mij

De speeltuin

Sommige wolken kijken mij verbaasd aan. Alsof ze vragen:

‘Wat lig je daar toch, verend op een zachte ondergrond gelukkig te zijn?’

Ik luister naar de wind, de schommelende schommel en mijn twee spelende meisjes. De laatste dagen rijden we rond vier uur richting de speeltuin. Het is dezelfde speeltuin die een goede vriend en ik een keer diep in een winterse nacht ondergesneeuwd aantroffen. De één ging van de kabelbaan terwijl de ander met sneeuwballen gooide. Onze blik vertroebeld door de alcohol, geen van ons trefzeker.

‘Hoi jongens!’ roept S.
‘Ze horen niet pappa.’

Twee oudere jongens hangen bij de kabelbaan. S. rent naar het zitje toe en brengt het naar de langste van de twee. Zijn stoere houding hangt hij als een jas aan een kapstok. Met een glimlach bedankt hij S. neemt een aanloop en springt soepel op het zitje. De andere jongen speelt niet met de toestellen, hij is ze ontgroeid. Binnen enkele seconden klimt hij naar het hoogste punt van de kabelbaan en temt het apparaat als een wild paard.

Vroeger had ik mijn best gedaan om zijn vriend te zijn. Ik zou knikkers voor hem stelen. Op het moment dat hij die van hem allemaal zou verliezen en van wanhoop aan zijn haren trok, dan zou ik daar staan om een zakje glimmende Berebonken in zijn handen te drukken.

Kleine R, rent gillend achter de grote jongens aan. Beiden lachen ze om haar. Ze struikelt en belandt met haar gezicht in het zand. Voordat ik bij haar kan zijn helpt de lenigste van de twee haar omhoog.

‘Gaat het?’

Deze twee jongens doen mij denken aan mijn neef en ik van vroeger. De manier waarop ze met elkaar omgaan, praten en de stoere houding die als sneeuw voor de zon verdwijnt wanneer er een situatie zich voordoet zoals met één van mijn meiden. Dit besef ontroert me. Het lijkt nog zo kort geleden. Ik kan die momenten haast aanraken. Wat gaat de tijd toch snel man...

Als ik mijn ogen sluit stap ik aan boord van een tijdmachine. Het neemt mij terug naar de kabelbaan van vroeger. Het was er druk. Een rij met enthousiaste kinderen. Drie grotere gasten vorderden vrij snel de kabelbaan en niemand anders kwam nog aan de beurt. Wie het toch probeerde kreeg een klap. We waren boos. De grootste werd steeds geduwd. De laatste keer ging hij zo hard dat op het punt waar je normaal gesproken de klap hoort en weer achteruit bungel, hij nu over de kop ging en helemaal verstrengeld raakte met het zitje, de paal en de kabel. Er ontstond paniek, tranen biggelden over zijn wangen. Mijn neef, de andere kinderen en ik barstten uit in juichen. Daarna was de kabelbaan weer van ons.

Mijn ogen weer open, ik ben bij de kabelbaan van nu. Mijn meiden nog te klein voor de kabelbaan, de jongens al weer bijna te groot en ik te zwaar. Ik probeer te begrijpen hoe het mogelijk is dat de tijd zo vliegt. Maar iedere keer wanneer ik hier te veel mee bezig ben lijkt het alleen maar sneller te gaan.

‘Willen jullie?’

S. krijgt het zitje. Ze vindt het spannend, maar laat merken dat ze nieuwsgierig is. Ik neem plaats en zet haar op schoot. Ze protesteert, trappelt van spanning en kruipt in me. We krijgen een zetje en vliegen naar beneden. Het gezicht van S. staat strak van plezier. Wie weet schrijft ze hier later ook een stukje over.

‘Doei jongens.’ zegt S.

Ze zwijgen en geven haar een stoer knikje. Ik wil ze zeggen: Het loslaten van die stoere houding is juist stoer. Het komt allemaal goed en koester jullie vriendschap. Alleen wie ben ik om dit voor ze in te vullen?

Ik beantwoord het knikje met een nog stoerder knikje en fiets weg.

Meer van dit soort gebrabbel? Koop mijn verhalenbundel. Dat staat vol met dit soort stukjes. Of schrijf je in voor de mailing. Dan ontvang je het zonder reclame rechtstreeks in je mailbox.