Willem Meester

Schijnbaar zit het antwoord in mij

De gemeentetuin

We betaalden – voor een schuur met oude meuk – vijfhonderd euro aan de vorige huurder. Zijn gezicht was grof en vergelijkbaar met de omgespitte kluiten op de tuin. Met pijn in het hart deed hij het stukje grond weg.

‘Waarom dan?’
‘Terminaal.’ zei hij.

Kwade kankercellen domineerden zijn lijf zoals een rupsenplaag een eik. Zijn pijn en liefde jegens het land maakte indruk. Op de schuur stond: ‘Met je handen in de aarde doet je ziel ontspruiten.’ Hij zou het liefst hier willen sterven; met zijn handen in de aarde, als zijn favoriete plant aan het einde van het seizoen.

Zijn gebrek aan kracht was zichtbaar. Het onkruid woekerde. De ogen van andere tuinders geïrriteerd. Hij deed het buiten het boekje om. Wat men niet kent, is eng en dus een gevaar. Dat terwijl hij met liefde voor het land zorgde en frambozen kweekte zo groot als bonbons. De natuur kent amper medelijden, de mens nog minder.

Ondanks we het in de lente overnamen, was deze man duidelijk een winter. Hij droeg een koud uiterlijk, maar wanneer je met hem sprak voelde je de warmte die het leven hem gegeven had; zoals een openhaard in een met sneeuw bedekte woning.

Zijn aankomende dood, heb ik al die tijd een onbegrijpelijke situatie gevonden. Wij,wroetend in de aarde, kijkend naar bloemen, slakken en oogsten die ten onder gingen,terwijl hij hoogstwaarschijnlijk net zoals de planten op de tuin nog maar één seizoen mee zou gaan.

De dood is zoiets vaags. Ondanks onvermijdelijk en steeds dichterbij, dan nog, blijft het voor mij als een ver land waar je op vakantie zou willen gaan. Zoals Rusland. Het staat op het lijstje, maar lijkt zo onmogelijk ver weg. De kilometers zijn te overbruggen, alleen die duistere, mysterieuze gevoelens onvatbaar. Zo zie ik de dood: een land waarvan de grenzen gevormd zijn door mijn naargeestige gevoelens.

Enfin, wij zouden met liefde voor zijn land zorgen en hielden dat een paar maanden vol. We Googleden, modderden wat aan. Het was tevergeefs. De natuur was ons te slim af. Slakken,bladluis, droogte, regen, de ogen van de buren, dat allemaal bleken obstakels te zijn. Het was uiteindelijk de slak die ons de genadeklap gaf, deed opgeven en ons weer de supermarkt instuurde.

Mijn bijdrage was nihil. De geboorte van mijn oudste dochter was mijn smoes. Ik droeg de medaille van het leven met moeite om mijn nek. Aan de ene kant het kersverse leven van mijn dochter en aan de ander het waarschijnlijke einde van de oude tuinbaas.

Of hij nog leeft? Dat is mij onbekend. Ik hoop dat de kankercellen van kwaad naar vriendelijk zijn gegaan. Mocht ik hem nog tegenkomen, dan zou ik hem groeten, mijn schuldgevoel uiten. Wij immers weggejaagd door de slak, terwijl hij nog zo graag verder wou.

Wellicht ligt hij al in de grond, tussen zijn geliefde kluiten en de slakken die over hem heen kruipen.

Met dit stukje doe ik mee aan een schrijfwedstrijd. Als je het tof vindt kun je mij HIER steunen.