Willem Meester

Schijnbaar zit het antwoord in mij

Buiten spelen.

Een banaan, wat havermout en twee bakken koffie teveel bevinden zich in mijn lijf. Ze draaien om elkaar heen en trachten om via het strottenhoofd mijn houterige lichaam te verlaten. Door het overschot aan cafeïne verloor ik deze ochtend het contact met mijn lijf. De speakers werden ontkoppeld en luisteren werd onmogelijk, zinsbegoocheling eerste klas. 

Ik ben veel te vroeg gestart met hardlopen deze dag. Naar de wc gaan ging ook al niet, wat toch wel wat tegen viel na bijna een liter koffie. Van een zak verjaardagsgeld kocht ik een nieuw paar schoenen. Lichter dan een middelgrote envelop; duurder dan een week boodschappen. Ze zijn rood en lelijk, maar functioneel, en daar hoor je soms aandacht aan te besteden.

Deze schoenen kosten mij meer dan een gebroken spaarpot; zij vragen mij ook een andere loopstijl aan te leren. Van hak- naar middenvoetlanding is de opdracht. Dit werkt enkel met geduld. Het dwingt mij meneer Ego thuis te laten. Kilometers en snelheid zijn nu niet van belang. Tot het gaatje gaan, diepte zoeken, grenzen overschrijden, een klap van de hamer krijgen, dit allemaal, lijkt van een andere wereld.

Stuk gaan is toch juist zo fijn? Gedachten die als zweetdruppels het lijf te verlaten. Een heerlijke uitlaatklep voor mensen met een denkverslaving. Althans, zo lijkt het. In tijden waar ik nog niet bezig was met het voelen van mijn gevoel, was dit mijn manier. Een duidelijke vorm van verdoving. Er komt vanzelf een moment dat alles er mag zijn. Dan gaan gedachten, pijn, emoties en het lijf hand in hand de finish over.

Lopen brengt mij nog dichter bij de natuur. Het buitenspelen zorgt ook voor bewustzijn. Pijntjes zoals de knie en het kuitbeen zijn er, ik voel het, ik laat het toe. Het verbreedt mijn zicht. Ik zie meer wanneer ik loop.

Zo treffen mijn ogen een torenvalk. Hij hangt bijna stil in de lucht. Wanneer het laatste gebed is uitgesproken duikt hij naar de grond. Met een piepende muis in zijn poten raast hij langs mijn hoofd. Ik juich, applaudiseer en strompel op het midden van mijn voeten verder.

Op de dijk rent er een haas met mij mee. We doen een wedstrijdje; ik ben duidelijk de schildpad in dit verhaal. Toch gaan we een moment lang gelijk op. Wederom wil ik juichen en open ik mijn mond. Voordat ik nog meer herrie aan de wereld toevoeg, vliegt er een bromvlieg mijn mond binnen. Er zit niks anders op dan het beestje door te slikken. Het is een onverteerbaar gevoel en ik brul van misnoegen. Mijn vriend de haas, schrikt en laat de strekking van het woord rennen zien. Ik had geen schijn van kans.

Onderweg tref ik steeds meer rommel. Na het wegslikken van een vliegende brommer wil ik wel iets terug doen. Enkel draag ik niets anders dan hardloopkledij. Op het moment dat mijn handen niet meer kunnen dragen, dient zich daar een prachtige KFC tas aan.

Ik vul de tas met: een dozijn plastic dopjes, een blikje Fanta, Cola en 7-up, twee stukken aluminiumfolie, een eenzame schoen, een pakje shag met een kapotte long als afbeelding erop, en nog wat oude kranten. Eigenlijk hoef ik nooit een tas mee te nemen; ik kom onderweg altijd wel wat tegen. De natuur helpt mij, haar te helpen.

Thuis hikt de vlieg nog tegen mijn strottenhoofd aan. Dit is voor beiden geen pretje. Ik verlos het beestje uit zijn lijden en geef het een flinke spoeling. Zelf kruip ik ook onder het water, zodat mijn tranen onzichtbaar lijken.

Lees je deze verhaaltjes graag? Je kunt je er gratis op abonneren. Binnenkort verschijnt mijn boek: ‘Een poëziealbum van een schatzoeker’, memories van een vader, meester en idealist.